[The Face of Dutch]
Search my site:

Everyday Dutch Vocabulary 15 - Home - 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 - Version 2: 1 2 3 4 5 - Hear 2000 words (list)

Everyday Dutch Verbs

This page will be much more useful to you when you're familiar with The Verb Rules - for instance, you (singular) and he/she/it usually add a 't' to the I form of the verb - knowledge of the Personal Pronouns will also be helpful.
Verb Examples - More Verb Examples - Verbs of Motion and Operation

The most common verbs are often a bit irregular. For instance, the vowel may be short in the singular, but long in the plural, either in the present or in the past tense, or sometimes in both.

to come I come we come I came we came I have come
to come komen ik kom wij komen ik kwam wij kwamen ik ben gekomen click to hear 2 - irregularities
to go gaan ik ga wij gaan ik ging wij gingen ik ben gegaan click to hear 2 - >>
to stay blijven ik blijf wij blijven ik bleef wij bleven ik ben gebleven click to hear - >>
to get krijgen ik krijg wij krijgen ik kreeg wij kregen ik heb gekregen click to hear 2 - >>
to give geven ik geef wij geven ik gaf wij gaven ik heb gegeven click to hear 2 - >>
to take nemen ik neem wij nemen ik nam wij namen ik heb genomen 2 3 - >>
to keep, hold houden ik houd wij houden ik hield wij hielden ik heb gehouden click to hear 2 - see also
to allow, let laten ik laat wij laten ik liet wij lieten ik heb gelaten click to hear 2 - >>
to make maken ik maak wij maken ik maakte wij maakten ik heb gemaakt click to hear 2 3 - >>
to put, set zetten ik zet wij zetten ik zette wij zetten * ik heb gezet click to hear 2 3
to look like, seem lijken het lijkt ze lijken het leek ze leken het heeft geleken click to hear 2 3
to be zijn ik ben wij zijn ik was wij waren ik ben geweest click to hear 2 - irregularities
to do doen ik doe wij doen ik deed wij deden ik heb gedaan click to hear 2 - >>
to have hebben ik heb wij hebben ik had wij hadden ik heb gehad click to hear 2 - irregularities
to say zeggen ik zeg wij zeggen ik zei wij zeiden ik heb gezegd click to hear 2 - >>
to speak spreken ik spreek wij spreken ik sprak wij spraken ik heb gesproken click to hear - >>
to talk praten ik praat wij praten ik praatte wij praatten * ik heb gepraat click to hear 2
to hear horen ik hoor wij horen ik hoorde wij hoorden ik heb gehoord click to hear - >>
to look kijken ik kijk wij kijken ik keek wij keken ik heb gekeken click to hear
to see zien ik zie wij zien ik zag wij zagen ik heb gezien click to hear 2 - >>
to send sturen ik stuur wij sturen ik stuurde wij stuurden ik heb gestuurd click to hear 2
to be allowed to,
mogen ik mag wij mogen ik mocht wij mochten ik heb gemogen click to hear 2 - irregularities
'will' (future) zullen ik zal wij zullen ik zou wij zouden - click to hear 2 3 - irregularities

to want willen ik wil wij willen ik wilde wij wilden ik heb gewild click to hear 2 - irregularities
to be able to,
kunnen ik kan wij kunnen ik kon wij konden ik heb gekund click to hear 2 - irregularities
to like, love houden van ik houd van wij houden van ik hield van wij hielden van ik heb gehouden van click to hear - >>
to understand begrijpen ik begrijp wij begrijpen ik begreep wij begrepen ik heb begrepen click to hear - see also

to eat eten ik eet wij eten ik at wij aten ik heb gegeten click to hear 2 - >>
to drink drinken ik drink wij drinken ik dronk wij dronken ik heb gedronken click to hear - >>
to read lezen ik lees wij lezen ik las wij lazen ik heb gelezen click to hear 2 - >>
to write schrijven ik schrijf wij schrijven ik schreef wij schreven ik heb geschreven click to hear 2 - >>
to pray bidden ik bid wij bidden ik bad wij baden ik heb gebeden click to hear 2 - >>

to cry (tears) huilen ik huil wij huilen ik huilde wij huilden ik heb gehuild click to hear
to cry (shout) schreeuwen ik schreeuw wij schreeuwen ik schreeuwde wij schreeuwden ik heb geschreeuwd click to hear
to buy kopen ik koop wij kopen ik kocht wij kochten ik heb gekocht click to hear - >>
to rent huren ik huur wij huren ik huurde wij huurden ik heb gehuurd click to hear

Previous Everyday Dutch Home 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Words and Phrases for Travelers Next
Version 2: Nouns - Adjectives, Adverbs and Verbs - Prepositions (etc.): pictorial / list - Supplement

email - copyright © 2011 Marco Schuffelen - All rights reserved. This material may not be published, broadcast, rewritten, or redistributed.
Don't be a dief (thief) - dievegge (female thief) - diefstal (theft) - stelen (to steal) - heler (dealer in stolen goods) - hear Dutch - 2